José en ik hebben zowat heel Nederland en België doorkruist en een stukje van Duitsland doorkruist tijdens onze 'stamboomtochtjes'. We kwamen daarbij in de meest onbekende en kleine stadjes en dorpen. Maar één stadje hebben we nog nooit bezocht: Urk. Je mag het eigenlijk geen stadje noemen, geloof ik. Aan die onbekendheid met Urk kwam afgelopen woensdag een einde. Op die dag hadden we geen andere verplichtingen. We hadden er behoefte aan om onze zinnen te verzetten met een fijne autotocht. Dan praten we altijd over wat ons bezighoudt en we genieten van dingen die we onderweg tegenkomen. Eigenlijk valt dat met het genieten nogal mee, want als je de A27 afrijdt naar de opgespoten provincie Flevoland, dan heb je eerst te maken met files en langzaam rijdend verkeer en eenmaal op het grondgebied van die ‘nieuwe’ provincie, moet je zoeken naar mooie dingen. Zo vlak en eindeloos daar. De toen nog sporadisch doorkomende zon, kon daar weinig aan veranderen. Dan kom je langs Almere, dat je maar amper ziet liggen, met hier en daar plukjes woningen in de middle of nowhere, zo lijkt het. Ik zou er absoluut niet kunnen aarden. Dat weet ik wel.
Maar Urk is echt een verademing. We waren ‘op’ Urk. Ooit een eiland, volledig op zichzelf aangewezen en met een geheel eigen cultuur, mag Urk er zijn. Geen klein vissersdorpje meer, maar een gemeente met zowat evenveel inwoners als de onze. Een aantrekkelijk oord, met kleine, smalle straatjes, die in een soort ringen, zo lijkt het vanaf de haven zijn opgebouwd.
Eenmaal bij de haven zie je een enorme gratis parkeerruimte, mooie schepen, netten die te drogen hangen, een orka als standbeeld en zelfs een ‘slaapschip’ voor ontheemden uit de Oekraïne. Je rijdt er op je gemak een rondje langs de visafslag, waar een man de waterspuit hanteerde aan het einde van de ochtend om de afslag weer ‘okselfris’ te krijgen. We vonden slechts een paar Urker kotters, want de vloot heeft na de afsluiting van de Zuiderzee een andere haven moeten zoeken, om weer op zee hun vissen te vangen.
Die visafslag, -die je goed ruikt-, ligt onder een restaurant Partycentrum met een opvallende naam: ’t Achterhuis. Wij kozen dat uit om een hapje te eten alvast ter gelegenheid van de verjaardag van José, die binnenkort op de agenda staat. We vieren hem dit jaar niet, omdat niet alle kinderen erbij kunnen zijn en we niet zo’n behoefte hebben om er nu aandacht aan te besteden. Er zijn nu belangrijker zaken.
Het eten, -natuurlijk vis-, mocht er zijn, al is de gebakken vis van José beter gekruid. Onze kop koffie als achterafje, konden we op onze buik schrijven. Bij werkzaamheden was de waterleiding geraakt en tot vijf uur zou er geen water zijn, liet de ober ons weten. Gezellig voor een restaurant…
Onze terugweg was een doffe file-ellende van langzaam rijdend verkeer. Slechts af en toe kon je een kilometer of tien doorrijden, waarna het om weer een onverklaarbare reden opnieuw vastliep. We waren moe en blij toen we de Keizersveerse brug overreden. Thuis. Maar eerlijk is eerlijk: het was toch een fijne dag en Urk is best de moeite waard.
(Bron: familiearchief F. van Son)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten